Opplussen in de regio Rivierenland

vouwen op bankje

Tussen 2013 en 2015 heeft de regio Rivierenland een opplusproject in de regio uitgezet, gefaciliteerd en ondersteund. Een regionale aanpak in een voor gemeenten turbulente tijd van transities in het sociale domein. Hier is de balans gezocht tussen een regionale aanpak versus lokale uitvoering, aansluitend bij de lokale dynamiek, beperkte capaciteit en diverse fasen van uitvoering van het project.

Het project is gestart vanuit het Regiocontract en de doelstelling om het langer thuis wonen te willen bevorderen. Het opplussen van bestaande woningen was genoemd als één van de concrete mogelijkheden. In alle gemeenten in het Rivierengebied zijn opplusprojecten gestart met als voornaamste doelstelling bewustwording van de inwoners over de mogelijkheden om de woning preventief aan te passen. Twee gemeenten hadden al opplusprojecten lopen – Geldermalsen (Lekker Thuis Wonen) en West Maas en Waal (Thuis met het grootste gemak). Voor de overige gemeenten was ‘opplussen’ nieuw.

Het enthousiasme en bestuurlijke draagvlak was niet in elke gemeente even groot. Het regionale project kenmerkt zich door het zoeken naar de balans tussen regionale ondersteuning en lokale uitvoering in een periode dat gemeenten amper ambtelijke capaciteit hadden voor uitvoering. Het lokaal project werd geïnitieerd vanuit het domein wonen. De afdeling Wmo, in beginsel betrokken, moest al snel afhaken vanwege de invoering van en drukte rondom de transities. Vooraf is tijd en capaciteit onvoldoende gewaarborgd voor de uitvoering van het project. Een deel van de ambtenaren deed het ‘erbij’, waardoor er gekozen is voor behapbare concrete activiteiten in plaats van inbedding in een integraal communicatiecampagne en verbinding zoeken met andere relevante domeinen.

 

Projecteigenaar

Projectleider was het regiobestuur Rivierengebied, Margreet Pethke. De regio had als taak om de gemeenten te faciliteren. Gemeenten waren zelf verantwoordelijk voor de lokale projectleiding, communicatiemiddelen en uitvoering. Zij bepalen zelf welke instrumenten zij inzetten.

Samenwerkingspartners

Directe samenwerkingspartners van de regionale projectleider waren de beleidsambtenaren van de tien regiogemeenten. De gemeenten hebben op hun beurt andere lokale partners bij het project betrokken, waaronder de woningcorporaties, welzijn- en zorgorganisaties, het lokaal netwerk en ondernemers. De mate waarin dit is gebeurd verschilt sterk per gemeente.

Projectopzet

Het regionale project begon met een inspiratiebijeenkomst voor alle regiogemeenten en relevante welzijn- en zorgorganisaties over de nut en noodzaak van opplussen en waar diverse voorbeelden van concrete activiteiten werden gepresenteerd en tentoongesteld.

De gemeenten zijn in eigen tempo aan de slag gegaan met opplussen, ondersteund door de regionale projectleider. De projectleider zorgde voor de verbindingen tussen de gemeenten en organiseerde vier keer per jaar bijeenkomsten voor kennisuitwisseling en om elkaar te informeren over de voortgang.

De opzet van de regionale projectleider was in eerste instantie om gezamenlijk, door werkgroepjes, het project en /of een aantal communicatiemiddelen samen met meerdere gemeenten op te pakken, voor te bereiden en uit te voeren. Van dit resultaat konden andere gemeenten weer gebruik van maken. Omdat gemeenten al in verschillende fasen van het project bezig waren en de capaciteit beperkt was, hebben de gemeenten bij voorkeur gekozen voor enkele concrete en praktische ‘half-klare’ producten die makkelijk aangepast aan de lokale situatie en snel uitgevoerd konden worden. Alleen de stimuleringsregeling is in regioverband uitgewerkt en de trainingen en cursussen voor vrijwilligers zijn centraal ingekocht en gecoördineerd.

Projectuitvoering

Focus van de regionale aanpak ligt op het delen van ervaringen en uitwisselen van ideeën. Enkele lokale producten en documenten zijn ontwikkeld, waar anderen weer profijt van hebben gehad:

  • Beslisboom voor KCC van gemeente Neder-Betuwe
  • Huis-aan-huisbrief gemeente Maasdriel
  • Draaiboek informatiemarkten gemeente West Maas en Waal
  • Draaiboek informatiemarkten gemeente Culemborg
  • Boekje voor vrijwilligers met uitleg, gemeente Maasdriel
  • Bezoek demowoningen Technologie Thuis Nu in Woerden, gemeente Zaltbommel.

In de regio hebben vijf projecten ‘toegankelijke buitenruimte’ plaatsgevonden die aangehaakt zijn bij het project opplussen. Twee appartementengebouwen van Kleurrijkwonen in Culemborg zijn opgeknapt en de buitenruimte is toegankelijker gemaakt (ophogen galerijen en verbeteren van de toegangsdeuren).

In Maasdriel en Zaltbommel heeft woningcorporatie De Kernen complexmatig de buitenruimte van in totaal 239 seniorenwoningen aangepast om de toegankelijkheid te vergroten (waaronder verlagen drempels bij de voor- en achterdeur). Bovendien heeft de corporatie het opplussen actief onder de aandacht gebracht bij haar huurders (op eigen website en een eigen folder) en biedt ze oppluspakketten aan. Per maatregel zijn de kosten voor huurders aangegeven. Er is een korting per product voor huurders en het arbeidsloon voor het aanbrengen van de voorzieningen neemt De Kernen voor haar rekening. 135 huurders hebben gebruik gemaakt van dit aanbod.

De intensiteit van de PR verschilt per gemeente. De meest gebruikte strategieën waren:

  • Informatieberichten in de lokale huis-aan-huiskranten
  • Flyers (verspreid via het lokaal (zorg)netwerk)
  • Persoonlijke brieven, tevens uitnodiging voor een informatiemarkt en informatie over de stimuleringsregeling
  • Facebook (nauwelijk respons)
  • Website (Geldermalsen)
  • Brochure Huistest
  • Lokale informatiemarkten
  • Presentaties in de kernen bij dorpsraden en kerken
  • Stand op de plaatselijke weekmarkt
  • theateravond
  • Opgeleide vrijwilligers om woonadviezen te geven (80 getraind, nu 60 actief)

Ter afsluiting van het project is door Bureau Vijftig een inspirerende interactieve presentatie gehouden over de Drempel van Jan. Het gaf de veertig aanwezige professionals (wonen,welzijn en zorg) tips en ideeën om verder aan de slag te gaan met opplussen in hun gemeenten. Hier is geen concreet vervolg aan gegeven.

Borging en toekomst

Een regionale en gezamenlijke aanpak was in eerste instantie lastig om van de grond te krijgen. Na de projectevaluatie hebben negen van de tien gemeenten besloten om door te gaan met het project. Het project wordt ondergebracht in reguliere activiteiten van de gemeente of één of meerdere lokale partijen. De afspraken staan verankerd in het regionaal convenant Wonen en Zorg en worden opgenomen in de prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties.

Het inbedden van het project bij lokale partijen en het maken van structurele afspraken voor informatie en doorverwijzing is tijdens het project opplussen onvoldoende tot stand gekomen en zal in het vervolg worden opgepakt.

Via de PR-activiteiten is in veel gemeenten (een deel van) het lokaal netwerk betrokken en geïnformeerd. Dit verschilt per gemeente en is minder gebeurd dan gewenst.

Organisaties die betrokken zijn:

  • Sociale wijkteams/buurtteams
  • Ouderenadviseurs/seniorenbezoekers
  • Zorgmedewerkers
  • Wmo-medewerkers en baliemedewerkers van de gemeente

De opgeleide vrijwillige woonadviseurs zijn inmiddels ondergebracht bij het lokaal welzijnswerk.

De regio blijft de voortgang van het opplusproject monitoren en zorgt mede ervoor dat het geagendeerd blijft.

De wijze waarop gemeenten een vervolg willen geven aan opplussen verschilt per gemeente. Van passief informatie geven tot een verdieping van het onderwerp naar andere doelgroepen waaronder mensen met beginnende dementie die thuis wonen. Anderen noemen de blijverslening een kans om een vervolg te geven aan het oplussen (financiering grotere aanpassingen voor eigenaar-bewoners).

Focus op preventie of zorg

De focus van de lokale projecten ligt op bewustwording van de mogelijkheden thuis om zelf fysieke maatregelen te treffen om comfortabel en veilig thuis te kunnen blijven wonen. Het project richt zich voornamelijk op de vitale senioren.

Succesfactoren

Het project is inmiddels geëvalueerd en de resultaten stemmen tot tevredenheid (Atrivé, 2016).

  • Hoewel het lastig is om exacte cijfers te geven, zijn er waarschijnlijk minimaal 900 huishoudens aantoonbaar bereikt. De lijntjes zijn kort en is meer besef van urgentie en noodzaak voor een gemeente om (integraal) met het beleidsspeerpunt ‘langer thuis wonen’ aan de slag te gaan.
  • De regionale aanpak zorgde ervoor dat gemeenten concreet met dit onderwerp aan de slag zijn gegaan. Regelmatige uitwisselingsbijeenkomsten werkten aanstekelijk door het uitwisselen van kennis, ervaring en voorbeelden. Waar de kans zich voordeed werden projecten en producten afgestemd.
  • Provinciale stimuleringsgelden voor externe ondersteuning geven een extra impuls voor gemeenten om aan de slag te gaan.
  • Ondersteuning vanuit de regio voor de (druk bezette) lokale projectleiders.
  • Succesvolle communicatiemiddelen: De Huistest is veel gebruikt en blijkt een goed bewustwordinginstrument; persoonlijke brief aan inwoners om campagne, stimuleringsregeling en informatiemarkten onder de aandacht te brengen; informatiemarkten (goed gewaardeerd, hoge opkomst); aansluiten bij bestaande activiteiten/markten/bijeenkomsten in de wijk en kernen; herhaling van de boodschap; ervaringsverhalen van inwoners zelf.
  • 90 enthousiaste woonadviseurs die thuis advies geven, een signalerende functie hebben en kunnen doorverwijzen naar andere professionals.
  • Verbinding en inzet van woningcorporaties en het project ‘toegankelijkheid van de buitenruimte’.
  • De inspirerende afsluitende bijeenkomst van Bureau Vijftig.

De evaluatierapportage van het opplusproject (Atrivé, 2016) zorgde ervoor dat opplussen weer lokaal op de agenda staat.

Leeropbrengsten

Een regionale en gezamenlijke aanpak was in eerste instantie lastig om van de grond te krijgen. Niet alle lokale bestuurders stonden achter het project waardoor ambtenaren onvoldoende tijd kregen voor een structurele en integrale uitvoering van het project. Echter door de regionale aanpak is alles in beweging gekomen. Aandacht voor projecten Langer thuis wonen blijft belangrijk gezien de vergrijzing en het overheidsbeleid om mensen langer zelfstandig te laten wonen.

  • Het project kost veel tijd. Belangrijke tip is om van te voren de randvoorwaarden van het project goed te regelen, waaronder: bestuurlijk commitment, benodigde tijd/capaciteit van de ambtelijke projectleider en coördinator van de vrijwilligers.
  • Maak duidelijk wat je van elkaar verwacht en regel de taakverdeling tussen de regionale ondersteuner en lokale projectleiders.
  • Het project Langer thuis wonen vraagt om een integrale campagne en aanpak. Maak bij de start een praktisch plan van aanpak en maak duidelijk waar verbindingen met andere organisaties, lokaal netwerk en professionals gelegd kunnen worden. Pr-activiteiten en projectonderdelen in samenhang en in tijd uitzetten.
  • Zorg voor interne afstemming en draagvlak binnen de gemeentelijke organisatie bij zowel de beleidsambtenaren als de uitvoerende medewerkers (afdelingen wonen, front-office, wmo, zorg, leefbaarheid/samenleving).
  • Stem af en sluit aan bij de lokale situatie en beleid van de gemeente: buurtgerichte aanpak versus hele gemeente / stadscultuur versus een gemeente met vele kleine plattelandskernen.
  • Een ervaren (externe) sparringpartner en/of procesondersteuner is belangrijk voor zowel de lokale ambtelijke projectleider als regio projectleider om uit te kunnen wisselen over het lopend proces, bereiken van de doelgroep, aandragen van voorbeelden en praktische tools.
  • De bijeenkomst van Bureau Vijftig had meer effect gehad als die eerder in het proces was georganiseerd. De inspiratie die er van zo’n bijeenkomst uitgaat had kunnen bijdragen aan het inrichten van het project en aan het samen uitwerken van producten.

Maak meer gebruik van regionale kansen en mogelijkheden: regionale uitwisseling vrijwillige woonadviseurs, contact met regionale partners (ouderenbonden, zorgorganisaties, woningcorporaties), organiseren van regionale pr via kranten en tv, regionale campagne naam dat zorgt voor meer bekendheid en herkenbaarheid.

Kosten

Niet bekend.